Het ontbijt was stukken beter dan het avondeten van water en brood. Bambino en Nola zaten in de kamer van kapitein Zucchero aan een lange tafel die rijkelijk gedekt was met vruchten, noten, vers brood, gebakken bacon en vis. Paco en Rico aten zo veel en zo snel dat Bambino bang was dat ze zich zouden verslikken. Hij bestudeerde de kamer terwijl hij kauwde op een stukje peer. Er lag een zacht tapijt op de houten vloer en aan de muur hingen verschillende land- en zeekaarten ingelijst. Bij het raam stond een sterrenkijker op een hoge standaard. Aan het plafond hingen lage zware lampen die de kamer verlichtten in een ongezellig licht. Via een rails hingen er gordijnen rondom het wijde bed, dat bekleed was met fluwelen lakens en zachte kussens. Die kapitein heeft het goed voor elkaar, dacht Bambino bij zichzelf. Vast heel veel schatten gevonden. Maar ook die ene aan het eind van de regenboog? Vast niet.
‘Jullie vragen je natuurlijk af,’ begon kapitein Zucchero terwijl hij een stuk vis met een slok melk wegspoelde, ‘waarom jullie zijn uitgenodigd voor zo’n feestelijk ontbijt.’ Hij keek de anderen één voor één aan. Nu begreep Bambino waarom Paco en Rico zo schrokten. Normaal was het ontbijt al net zo karig als het avondeten, maar vanochtend was het een speciale gelegenheid.
‘Welnu,’ vervolgde de kapitein, ‘ik heb onlangs de locatie vernomen van El Tesoro Oro.’
Paco viel helemaal stil. Rico liet een stuk bacon uit zijn mond vallen. Direct daarna begonnen ze luid te joelen en te juichen. Bambino en Nola keken elkaar vragend aan.
‘Wat is elte zorrorro?’ vroeg Bambino aan de kapitein.
‘El Tesoro Oro,’ verbeterde Kapitein Zucchero, ‘is de naam van een schip. Dit schip is van mijn grootste vijand, Kapitein Galleta, dankzij wie ik nu met een houten been rondloop. Ze zijn vlakbij. Over twee dagen kunnen we ze ingehaald hebben. We zullen ze verrassen en overvallen. Mijn wraak zal vreselijk zijn!’
Na het ontbijt hadden Bambino en Nola eventjes wat tijd voordat ze verder moesten werken op het schip. Bambino bedacht zich geen moment. Hij liep in de richting van zijn hut, maar in plaats van naar binnen te gaan, liep hij naar de zilveren kaarsenstandaard aan het einde van de gang en draaide hem een kwartslag naar links. Direct opende eronder een deurtje in de muur en Bambino klom er doorheen. Hij kwam terecht in een kleine ronde kamer zonder ramen en het enige licht was afkomstig van een olielamp die vlak naast de deuropening stond. In het midden van de kamer stond een hoge ranke tafel met een voorwerp erop waarover een doek was gedrapeerd. Bambino trok de doek weg en zag in een zilveren kooi een prachtige vogel zitten met gele vleugels, een witte staart en een felrode borst. Bambino herinnerde zich de verhalen van zijn grootvader over zeldzame paradijsvogels. Zijn opa had ze heel precies beschreven omdat hij er ooit één was tegengekomen in het Donkere Woud. Volgens zijn opa zingen paradijsvogels over de toekomst als ze je het juiste eten geeft. Hoe had Kapitein Zucchero deze gevangen genomen? Bambino zag naast de kooi het zakje met vogelzangzaad staan dat hem was opgevallen toen hij aan boord was gebracht. Gisternacht was Kapitein Zucchero bij deze vogel geweest en nu wist hij plotseling de locatie van zijn grootste vijand. Dat kon geen toeval zijn. Nieuwsgierig naar de toekomst graaide Bambino in het zakje met zangzaad en stak voorzichtig zijn poot door de kooi. De paradijsvogel draaide zijn kop en pikte de zaadjes één voor één op. Direct nadat alle zaadjes op waren gepikt, opende de vogel zijn snavel en klonk er een zacht galmend lied door het hele kamertje heen:
De kapitein zal zijn vijand verslaan,
Hij zal jullie niet willen laten gaan.
Je zult je hele leven een slaaf blijven,
Tenzij je de toekomst kunt herschrijven.
Als je een goede list kunt verzinnen,
Kun je jouw vrijheid terugwinnen.
Na het lied dekte Bambino de kooi weer af met de doek en kroop het geheime kamertje weer uit. Hij wist wat hem te doen stond, maar het zou niet gemakkelijk worden.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten