Hoofdstuk 11

‘Rico, maak hun boeien los!’ schreeuwde de piratenleider naar één van de piraten nadat de loopplank was ingetrokken en het schip was ontkoppeld van de kade. De wind nam bezit van de zwarte zeilen en het schip voer langzaam van het land af. De piraten namen hun hoed af en deden hun lange jassen uit. Nu werd Bambino duidelijk waarom hij lange haren onderuit de jassen had zien komen. Dit waren drie katerpiraten.
De leider, al een oude rot met een houten been, maar nog jeugdige groene ogen stelde zichzelf voor als Kapitein Zucchero. Hij had een glanzende rode vacht met een lelijk litteken over zijn neus. Zijn scherpe klauwen bleven nooit ver uit de buurt van zijn zwaard dat losjes aan een brede zwartleren riem hing.
De andere twee katers heetten Paco en Rico, tweelingbroers en nog niet zo oud, maar al wel flink gebouwd en beresterk. Rico was pikzwart en Paco spierwit alsof ze elkaars tegenpolen waren. Ook zij droegen een zwaard aan hun riem en hadden gemene ogen en spitse oren.
‘Jij!’ vervolgde de piratenleider op snauwende toon en wees naar Nola. ‘Dek schrobben! En jij, vette beer, laad het proviand in het benedendek. Snel!’ Kapitein Zucchero nam plaats op het achtersteven achter het roer en stuurde kundig om enkele rotsen heen totdat het schip vrij baan had richting de Grote Zee. Nola was ijverig aan het poetsen onder toeziend oog van Rico. Bambino tilde een vat vlees op en liep waggelend door het gewicht en de schommelingen van het schip naar het luik dat toegang gaf tot het benedendek. Hij werd constant in de gaten gehouden door Paco. Hij gooide het vat naar beneden door het luik en het kwam terecht op een aantal zakken meel en zout.
Nadat Bambino zo alle vaten door het luik had gekregen en ze in het benedendek netjes weer had opgestapeld, ging hij naast Nola zitten die zojuist klaar was met het schoonmaken van het dek. Ze waren nu al enkele uren aan het varen en om hen heen was niets anders te zien dan de Grote Zee. De zon zakte langzaam omlaag. Paco stond bij Kapitein Zucchero kaart te lezen. Rico zat bovenin het kraaiennest met zijn ogen dicht te genieten van de laatste zonnestralen. Boven hem wapperde de zwarte vlag met het katerpiratenteken in de wind.
‘Och Nola,’ zuchtte Bambino, ‘het is allemaal niet zo gegaan als ik had gehoopt. Ik heb geen idee hoe we nu ooit nog bij de Hoge Bergen komen. Laat staan hoe we de regenboog vinden. Ik ben bang dat we niet zo gemakkelijk van dit schip kunnen afkomen.’ Nola tuurde over het water en zweeg. Bambino hoorde Kapitein Zucchero achter hem de trap van het achtersteven afkomen. Zijn houten been maakte zoveel lawaai dat het mogelijk was om continu te horen waar de piratenkapitein op het schip was.
‘Niet slecht, muis,’ sprak Kapitein Zucchero nadat hij het schoongeboende dek had geïnspecteerd. ‘In orde, beer, maar nu is het al laat en morgen moeten we weer vroeg opstaan. Rico zal jullie naar jullie hutten brengen. Morgen om 6 uur ontbijt.’
Rico nam Nola en Bambino mee naar een deur aan het eind van het dek. Direct na de deuropening volgde een steile trap omlaag die uitmondde in een smalle donkere gang met zowel links als rechts twee deuren. Aan de achtermuur hing één kaars in een zilveren standaard.
‘Rechtsvoor is Paco’s kamer. Ik slaap linksvoor,’ zei Rico. ‘De beer gaat linksachter en de muis d’r tegenover.’ Rico haalde een flinke sleutelbos tevoorschijn en opende beide hutten. Met een duw in de rug struikelde Bambino de hut in. Door het donkere hout en het piepkleine raampje leek de hut nog krapper dan hij was. Er stond een bed en een laag tafeltje met daarop een kom water en een half brood. De deur werd weer gesloten en op slot gedaan. Bambino liet zich zakken op het bed. Het voelde hard aan. Buiten was het donker geworden, maar Bambino kon niet slapen. Het maanlicht scheen naar binnen en de uren tikten weg.
Middenin de nacht hoorde Bambino het gebonk van Kapiteins Zucchero houten been de trap af komen en tot voorbij zijn hut lopen. Daarna was het even stil en toen verdween het geluid in de verte. Door een kier in de deur had Bambino precies kunnen zien waar de kapitein naar toe was gegaan. De zilveren kaarsenstandaard was een soort geheime deurklink die toegang gaf tot een verborgen kamer achterin de hal. Wat zou de kapitein daar verbergen?

Geen opmerkingen:

Een reactie posten