‘Hebben jullie genoeg voor onderweg?’ vroeg Cacao aan Bambino en Nola. Het was twee dagen geleden dat Bambino en Nola de schat hadden geopend aan het einde van de regenboog. Tijdens hun terugreis uit de Hoge Bergen konden Nola en Bambino bijna niet ophouden met vertellen over hun avonturen. Nu, twee dagen later, was het nog vroeg in de ochtend. Hoewel de zon pas net op was, beloofde het een prachtige dag te worden. Ze zaten op de oude stoffen bank in het huisje van Cacao, met voor iedereen een grote mok hete thee en warme broodjes als ontbijt. In Bambino’s buideltas, die naast hem op de bank stond, zaten de Glazen Sleutel en één glasscherf van de schat als aandenken. Bambino moest terugdenken aan het moment dat hij het mannetje met het rode jasje voor het eerst had ontmoet vlak naast zijn huis. Waar zou hij vandaan zijn komen? Waar zou hij naartoe zijn gegaan? Zou hij hem ooit weer eens zien? Bambino betwijfelde of hij ooit antwoorden zou krijgen op zijn vragen, maar misschien was dat maar goed ook. Sommige dingen kun je maar beter niet proberen te begrijpen.
‘Ahum,’ Cacao schraapte zijn keel en herhaalde zijn vraag. ‘Hebben jullie voldoende voor onderweg? Anders bak ik graag nog wat extra pannenkoekjes.’
Na het ontbijt bond Bambino hun tassen op Bella’s rug, die blij was dat ze eindelijk vertrokken. Niet dat ze het vervelend vond bij Cacao. Integendeel, hij had haar al die tijd keurig verzorgd. Maar Bella was nog een jong paard en vond het heerlijk om eindelijk haar benen te kunnen strekken door een flink stuk te lopen. Bambino en Nola namen afscheid van Cacao en bedankten hem voor al zijn hulp. Daarna klommen ze op Bella’s rug en reden in oostelijke richting.
Bambino wist dat ze zeker enkele dagen onderweg zouden zijn voordat ze in bekend gebied zouden komen, maar ze hadden geen haast. Ze konden dus genieten van de reis.
Bella wisselde momenten van hard galoppeer af met lange stukken in rustige pas en Bambino en Nola zagen het voorbijtrekkende landschap om zich heen veranderen. Als ze zich omdraaiden, waren de Hoge Bergen al behoorlijk klein geworden. Het gras leek met elke stap groener te worden. En langzaam maar zeker kwam Bambino dichterbij zijn geliefde huisje.
’s Nachts sliepen ze op de dunne matrasjes die Cacao aan hen had meegegeven. Overdag aten ze, naast het fruit dat ze onderweg konden plukken, van de talloze koude pannenkoeken die Cacao voor hen had gebakken. Onderweg kwamen ze niemand tegen, maar dat vonden ze eigenlijk wel prettig.
Op de vierde dag van de reis merkte Bambino dat hij bijna thuis was. Bella liep over het zandpad naast het gouden graanveld toen Bambino zich plotseling iets herinnerde. Hij sprong van Bella’s rug en verdween het graanveld in.
‘Bambino, wacht op mij,’ riep Nola die zich er achteraan haastte. Ze duwde het stugge graan opzij en zag tot haar verbazing Bambino praten met een grote enge vogelverschrikker.
‘Dit is Nola,’ zei Bambino tegen Vogelverschrikker Jan. ‘Zij is met me meegegaan op reis. Samen hebben we de schat gevonden.’
Bambino haalde de Glazen Sleutel uit zijn buideltas en stopte hem in de jaszak van Vogelverschrikker Jan.
‘Voor geluk,’ zei Bambino en knipoogde. ‘Het hele verhaal vertel ik je later nog wel eens, maar nu zal ik je eerst eens een pannenkoek laten proeven. Wacht maar eens!’
‘Lekker?’ vroeg Bambino nadat hij een stukje had gegeven.
‘Best lekker,’ zei Vogelverschrikker Jan terwijl hij rustig kauwde.
‘En wat zijn je plannen nu?’ vroeg Vogelverschrikker Jan.
‘Ik weet het nog niet zo goed,’ zei Bambino met een volle mond, ‘In ieder geval wil ik nu eerst terug naar huis, ik ben lang genoeg weg geweest en ik verlang naar rust.’
‘Dat is voor jou makkelijk praten,’ zei Nola ineens. ‘Jij hebt tenminste nog een huis om naar terug te keren!’
‘Maar Nola,’ antwoordde Bambino lachend, ‘je begrijpt toch zeker wel dat je bij mij mag logeren? Zo lang als je wilt.’
‘Zo lang als ik wil?’
‘Zo lang als je wilt.’
Met een grote grijns propte Nola in één keer haar hele pannenkoek naar binnen. Hij smaakte nu nog lekkerder.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten