Hoofdstuk 7

Betoverd door de wonderlijke melodie en de zachte klanken voelden Bambino en Nola zich ineens, te midden van het Donkere Woud met allerlei prikkelende takken en glibberige stenen, heel erg gerustgesteld. Alle zorgen vielen van hen af en met hernieuwde moed sprak de beer tot de witte muis:
‘Nola, als we uit dit doolhofbos willen komen, denk ik dat we die stem moeten vinden.’ Bambino stond op van de boomstronk, greep zijn koffertje vast en liep in de richting van het gezang. Nola liep snel achter hem aan. Het duurde niet lang of het zingen werd steeds duidelijker te verstaan. Het was in een taal die Bambino en Nola niet kenden, maar toch klonk het zeer kalmerend. Alsof niets ze nu nog kon overkomen. Zo liepen ze achter elkaar aan over de mossige paadjes en door het dicht begroeide bos totdat ze plotseling uitkwamen bij een reusachtig gat in het midden van het Donkere Woud.
Bambino en Nola stonden aan de rand van een klif die honderden meters omlaag leek te gaan. Het pad dat zij volgden liep zowel links- als rechtsom langs het gapende gat en kwam aan de overkant weer bijeen. Het leek nog het meeste op een ovaalvormige krater zo groot als het graanveld van Vogelverschrikker Jan. Ze konden prachtig kleurige vogels zien en de meest bizarre bloemen groeiden langs de klif omhoog. Halverwege, vanuit een donkere grot, viel een brede waterval omlaag. Vanuit de diepgelegen vallei, door de mist vrijwel onzichtbaar, klonk het mysterieuze lied kristalhelder omhoog.
‘We moeten zien af te dalen,’ sprak Bambino die in de ban van het lied leek te zijn. Nola was er minder zeker van: ‘Maar Bambino, het is zo diep en gevaarlijk. Al die scherpe rotsen, kronkelige lianen en dichte mist. Het is vrijwel onmogelijk om naar beneden te gaan. Waarom kunnen we niet zelf proberen uit dit donkere bos te komen?’
Bambino hoorde haar niet eens meer en was al begonnen met het zoeken van een geschikte plek om af te dalen. Hij ging zitten en zwaaide zijn benen over de rand van de afgrond. Hij zette zijn koffertje naast zich neer en voorzichtig draaide hij zich om, zijn voeten zoekend naar een uitstekende steen om op te staan. Met beide poten greep Bambino een lange ruwe liaan stevig vast en liet zich heel rustig omlaag zakken. Stukje bij beetje daalde hij zo af. Nola stond nog altijd boven aan de klif en zag de beer langzaamaan in de mist verdwijnen. Als ze niet snel zou volgen, zou Bambino uit het zicht verdwijnen. Ze pakte al haar moed bij elkaar en stapte wiebelig over de rand. Voorzichtig nam ze de volgende stap omlaag, maar voordat ze een liaan kon grijpen voelde ze de grond onder haar voeten afbrokkelen zodat ze omlaag gleed en de diepte in viel. Na een aantal meters viel ze bovenop Bambino die door de schrik zijn liaan losliet en ook door de mistige lucht omlaag tuimelde. Als twee vallende kokosnoten suisden Bambino en Nola door de mist naar beneden totdat ze ineens met een grote smak midden in een enorme plas met water terecht kwamen. Het water stoof hoog de lucht in om hun val te breken. Nadat het water weer rustig was geworden, lag Bambino roerloos op zijn rug in het meer met Nola, al net zo stil, bovenop zijn buik.
De beer droomde van goud, graan en van een regenboog waar hij maar niet bij kon komen hoe hard hij ook rende. Op de achtergrond van zijn droom klonk het mooiste lied met de zuiverste stem die hij ooit had gehoord. Het gezang werd harder en harder totdat Bambino zijn ogen niet langer gesloten kon houden en knipperend om zich heen keek. Nu pas voelde hij dat hij in een groot rond meer lag, helemaal onderin de vallei. De waterval aan de overkant maakte een enorm lawaai, maar boven die herrie uit hoorde Bambino heel duidelijk het lied. Het gezang kwam van vlakbij, maar Bambino kon niemand zien. Plots sprong er iets op in het water, een wezen dat Bambino nog nooit eerder had gezien. Ze had lang goud haar en ogen die straalden als diamanten. In plaats van benen had ze een lange vissenstaart waardoor ze zich sierlijk door het water bewoog. Zo zwom ze om Bambino en Nola heen terwijl ze haar lied zong. Ook de muis schudde nu haar hoofd om wakker te worden en keek om zich heen. Ze kon haar ogen niet geloven toen ze het rare wezen om hen heen zag zwemmen. Ze hadden het lied gehoord van een zeemeermin.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten