Deel 2: De zingende paradijsvogel
Waarin de beer en de muis gevangen en verkocht worden.
De verkoolde twijgjes smeulden nog net een klein beetje, maar het vuurtje stond op het punt om uit te gaan. Er was geen hout meer voor het vuur om op te eten. Bambino ging er zo dicht mogelijk naast liggen, helemaal opgerold in een balletje van vacht. Onder zijn armen had Nola zich warm en comfortabel ingepakt en zo vielen ze beide in een diepe en droomloze slaap. Aan de hemel stonden vele fonkelende sterren en een halfvolle maan die de wacht hield. Doordat er geen wolkje aan de lucht was te bekennen, werd de nacht net zo koud als de dag warm was geweest. Bambino en Nola hadden overdag door deze hitte een enorme afstand gelopen. Vanaf de rand van het Donkere Woud waren ze richting de bergen gelopen dwars door een woestijnachtig landschap met rotsige stenen en brandend zand. Toen de zon bijna was ondergegaan besloten ze pas te stoppen en hoewel ze al een flink eind hadden afgelegd, leek het net alsof de bergen nog precies zo ver weg waren als toen ze begonnen. Nola had enkele twijgjes bijeen geraapt en door ze vlug tegen elkaar aan te wrijven was er een klein vuurtje ontstaan. En op deze plek, in het midden van de dorre woestijn, sliepen de beer en de muis totdat ze vroeg in de ochtend gewekt werden door de al fel brandende zon.
‘Goeiemorgen,’ zei Bambino met een gaap terwijl hij zich uitrekte. ‘Het belooft wederom een warme dag te worden, dus we kunnen maar beter vroeg vertrekken nu het nog redelijk koel is.’
‘Je hebt gelijk,’ antwoordde Nola, ‘en het is heel belangrijk dat we snel water zien te vinden anders smelten we straks nog weg.’
‘Maar waar?’ vroeg Bambino. ‘Ik zie hier alleen maar zand met stenen.’
‘We moeten onze ogen open houden voor bomen en struiken, als we die zien groeien, dan moet er water in de buurt zijn!’ zei Nola.
Zonder ontbijt, want het koffertje was nu helemaal leeg en Bambino had het de vorige dag in het zand achtergelaten om het niet meer mee te hoeven zeulen, gingen ze op pad. De zon stond nog laag en scheen in hun rug waardoor er uitgerekte schaduwen voor hen uitgingen.
Zo rond het middaguur, terwijl de zon hoog in de hemel stond en de hitte bijna ondraaglijk was geworden, hoorden Bambino en Nola vanachter hen vandaan een steeds harder klinkend geluid. Nadat ze zich hadden omgedraaid zagen ze een grote stofwolk op hen af stormen. Middenin de stofwolk bewogen donkere schaduwen heftig op en neer. Toen de stofwolk nog maar twintig meter verwijderd was van de beer en de muis zagen ze dat de schaduwen in werkelijkheid ruiters te paard waren. Twee van hen hielden lasso’s sneldraaiend hoog boven zich uit. Direct begrepen Bambino en Nola dat ze gevaar liepen en begonnen zo hard als ze konden weg te rennen, maar al gauw voelden ze het touw van de lasso’s om hun enkels vallen en aangetrokken worden. Bambino en Nola verloren hun evenwicht en vielen gevangen op de grond, kuchend van al het opstuivende zand dat de paarden veroorzaakten. De mysterieuze ruiters stegen van hun paarden af en liepen af op de twee gevangenen. Doordat ze grote cowboyhoeden droegen en zwarte zakdoeken over hun gezichten, waren alleen hun ogen zichtbaar. De ruiters pakten Bambino en Nola vast, bonden al hun poten samen en blinddoekten hen. Daarna legden ze de gevangen over de rug van één van de paarden en vertrokken zonder een woord te hebben gesproken.
Hoe lang ze precies hadden gereden voordat ze stopten, wist Bambino niet, maar toen de blinddoek van zijn hoofd werd gehaald, zag hij dat de zon was ondergegaan. Het enige licht kwam van een groot kampvuur waaromheen de ruiters zaten te eten en drinken, met hun ruggen naar Bambino en Nola toe, die nog altijd met handen en voeten waren gebonden. Verderop stonden de paarden bij elkaar en waren vervallen tentjes opgezet. Eén van de ruiters, Bambino telde er acht in totaal, had al te veel gedronken en sprak luid tegen de anderen:
‘Morgen brengen we die twee naar de Markt en verkopen we ze als slaven. Ze zijn niet veel waard, maar vast wel genoeg om meer drank van te kopen.’
De andere ruiters moesten hard lachen en namen nog een slok.
‘Pssst Bambino,’ fluisterde Nola, ‘de touwen om mijn handen zitten niet zo strak, misschien krijg ik ze wel los…’

Geen opmerkingen:
Een reactie posten