Hoofdstuk 16

‘Daar,’ riep Nola uit, ‘daar zie ik een huisje!’ De muis wees naar voren en nu zag Bambino het ook. Bovenop de voorste heuvel, nog voordat de Hoge Bergen begonnen, stond een klein huisje, zichtbaar door het licht dat door het raam naar buiten scheen.
Door de regenstorm heen beklom Bella zo snel als ze kon de steile heuvel en zodra ze boven waren gekomen sprongen Bambino en Nola op de grond. Nadat ze de buideltassen hadden losgemaakt, klopte Bambino luid op de voordeur.
‘Och arme, wie kan dat nu zijn,’ klonk een oude stem aan de andere kant van deur. Het slot werd ontgrendeld en de deur werd opengezwaaid door een klein doodshoofdaapje. Het was al een heel oud doodshoofdaapje met grijze haren en een lange grijze staart. Op zijn hoofd stond een klein gek hoedje en de groene broek werd omhoog gehouden door donkerrode bretels die over een vaal oranje hesje waren getrokken.
‘Kom binnen, kom binnen,’ sprak het oude doodshoofdaapje en Bambino en Nola liepen voorzichtig het huisje in. Het doodshoofdaapje nam de teugels van Bella en leidde haar om het huisje heen naar de schuur en stalde haar daar met droog stro en voldoende water. Daarna keerde hij vlug terug naar zijn gasten. ‘Ik heb net groentesoep opgewarmd, trek in een kopje?’ vroeg het doodshoofdaapje.
‘Dat lijkt me heerlijk,’ zeiden Bambino en Nola tegelijkertijd. Ze zaten op een comfortabele stoffen bank en verbaasden zich er over hoeveel spullen in het kleine huisje pasten. In feite was het gehele huisje één grote kamer. In de achterste hoek stond een bed met een tafeltje ernaast. De keuken, waarin het doodshoofdaapje nu de soep stond in te schenken, lag tegenover de bank. Op het aanrecht stonden stapels borden, kommen en mokken. Niet één kastje paste dicht. De muren langs het bed hingen vol met gevulde boekenplanken, waartegen een trap leunde. Naast de bank stond een oude groenstoffen stoel met een poef ervoor. Er hing geen lamp aan het plafond, maar al het licht kwam van tientallen kaarsen die door het hele huisje waren neergezet. Bambino en Nola voelden zich onmiddellijk helemaal thuis. Het doodshoofdaapje kwam uit de keuken met de hete soep, gaf de twee kommen aan zijn gasten en zette zich in de stoel. Zo zaten ze een paar minuutjes in stilte. Bambino en Nola lieten de groentesoep zich goed smaken en het doodshoofdaapje staarde naar zijn enorme verzameling boeken aan de muren. Buiten was het aardedonker. De regen tikte tegen de ruit en op het dak. Af en toe flitste de bliksem en klonk er gedonder in de verte, waarschijnlijk diep in de Hoge Bergen.
‘Vertel eens,’ zei het doodshoofdaapje ineens, ‘wie zijn jullie en hoe zijn jullie hier in dit noodweer terechtgekomen?’
Bambino staarde in zijn lege soepkom en begon zachtjes te vertellen over die zonnige dag, nu al zo lang geleden. Hij vertelde hoe hij het mannetje met het rode jasje ontmoette en hoe hij op zijn grote reis vertrok op zoek naar de regenboog en de schat. Bambino vertelde over zijn kennismaking met Vogelverschrikker Jan die hij moest achterlaten in het graanveld en over hoe hij Nola tegen was gekomen. Hij verklapte dat ze elkaar eerst helemaal niet aardig vonden, maar nu waren ze de allerbeste vrienden. Bambino beschreef wat er was voorgevallen in het Donkere Woud en hoe Calypso hen had gered. Hij vertelde over hun tocht door de hitte van de woestijn en de ontvoering door de acht ruiters. Bambino zei hoe hij bewusteloos was geslagen en wakker was geworden in een kooi op de Haven Markt. Hij noemde de avonturen die hij samen met Nola had beleefd op het schip van Kapitein Zucchero. Hij legde uit hoe de zingende paradijsvogel hen had gered en hoe Kapitein Galleta hen geholpen had.
‘Nadat zij weggingen, kochten wij Bella op de Markt. Ze is een echt paard, ook al is ze zo klein, en in onze tocht naar de Hoge Bergen sloeg ineens het weer om en toen zag Nola plotseling uw huisje. En nu zijn we hier,’ besloot Bambino zijn lange verhaal.
Het doodshoofdaapje zei niets, maar tuurde naar één van de kaarsen aan de andere kant van de kamer. Nola en Bambino keken elkaar aan. Zou hij het verhaal niet geloven? Of misschien vond hij het wel heel saai en wilde hij nu gaan slapen.
‘Mijn naam is Cacao,’ zei het doodshoofdaapje ineens zachtjes. ‘Ik kan jullie helpen de regenboog en de schat te vinden.’

Geen opmerkingen:

Een reactie posten