Hoofdstuk 20

Als een treintje liepen Le Noir, Nola en Bambino achter elkaar aan in de duisternis van de tunnels. Nola hield de witte stok van de mol vast en Bambino had Nola’s staart goed beet. Met vastberadenheid leidde de oude grijze mol de weg door het tunneldoolhof. Iedereen was stil, maar af en toe waarschuwde Le Noir dat hij de bocht omging. Ook al was de mol blind, hij wist feilloos de weg en botste of struikelde niet één keer. Hoe ver en hoe diep ze precies gingen, wist Bambino niet, maar hij schatte heel ver en heel diep.
‘Welkom,’ zei Le Noir toen hij uiteindelijk was gestopt aan het einde van een brede tunnel. ‘Welkom in Taupe Ville!’ De oude grijze mol zette een stap opzij zodat Nola en Bambino naast hem konden staan. Voor hen lag een complete ondergrondse stad met huisjes, tuintjes, torentjes en paadjes. De berg moest van binnen volkomen zijn uitgehold om dit te kunnen bouwen. Boven de stad liep van de ene kant naar de andere kant een spoorrails, waarover mijnwagentjes vol zand werden vervoerd. In de stad zelf krioelde het van de mollen. Tientallen mollen, die allemaal druk waren met graven, bouwen en zand ruimen, liepen rond met mijnwerkershelmen op hun hoofden en pikhouwelen in de hand. Andere mollen vulden de duizenden olielampen bij zodat de gehele stad goed verlicht bleef. Weer andere mollen hielden alle paadjes goed schoon met behulp van flinke bezems.
Bambino en Nola keken hun ogen uit en staarden in verbazing over de hele stad en zijn inwoners.
‘Bien, kom mee,’ zei Le Noir, ‘we gaan eerst naar mijn huis en dan drinken we une tasse de thé. Mijn vrouw, Famke, zal zich afvragen waar ik blijf, ze is altijd ongerust als ik laat thuiskom.’
Le Noir haastte zich over de smalle paadjes en schoot door de nauwe steegjes heen terwijl Bambino en Nola probeerden hem bij te houden. Ze kwamen tot stilstand bij een klein maar alleraardigst huisje met een wit houten hekje eromheen. In de deuropening stond een grijze mollin te wachten.
‘Ben je daar eindelijk, Le Noir,’ zei ze ongeduldig, ‘ik wacht al uren, waar bleef je nou? Hé, wie zijn dat? Je had niet gezegd dat je gasten zou meenemen. Kom vlug binnen, s’il vous plaît. Let maar niet op de rommel. Kan ik wat voor jullie inschenken?’
Binnenin het mollenhuisje was het brandschoon, geen stofje te bekennen. Bambino en Nola namen een beetje verlegen plaats op een krukje. Famke overhandigde beiden een kopje thee.
‘Chèrie,’ zei Le Noir, ‘deze reizigers waren verdwaald in de tunnels aan de noordzijde. Ik kwam ze toevallig tegen. Ze vertelden me dat Cacao hen had gestuurd en dat ze op zoek zijn naar la Clé Verre. Ik besloot hen te helpen.’
‘Ah bien,’ sprak Famke, ‘ik begrijp het. Jullie zijn zeker op zoek naar de schat aan het einde van de regenboog, mais non?’ Famke keek Bambino en Nola indringend aan. Bambino nam een slok en vertelde het hele verhaal vanaf het begin. Le Noir en zijn vrouw luisterden in stilte aandachtig naar elk woord.
‘Mon chou,’ zei Famke na afloop, ‘deze twee lieverds hebben een lange reis achter de rug. Je hebt me vaak verteld over de schat en misschien is de tijd nu gekomen dat ze wordt gevonden.’
‘Hmm… peut-être,’ mompelde Le Noir. ‘Misschien heb je gelijk.’
‘Ik kan niet geloven dat er iemand is die de schat meer verdient dan Bambino en Nola. S’il vous plaît, breng ze naar la Porte Verre,’ verzocht Famke.
‘D’accord,’ stemde Le Noir in. ‘Hebben jullie je thee op? Dan vertrekken we meteen!’
Bambino en Nola volgden Le Noir door een heel nieuw stuk van de stad. Eerst was het nog heel vol en druk, maar uiteindelijk dunden de huisjes uit en kwamen ze minder andere mollen tegen, totdat ze op een gegeven moment helemaal alleen waren. Voor hen stond een statige poort, bijna drie keer zo hoog als Bambino, gemaakt van dik glas. Binnenin het glas scheen een mysterieus blauw licht. De flinke deuren waren eveneens van dik glas gemaakt, maar het viel Bambino op dat er geen slot aan de glazen ketting hing die door de handvatten was geregen.
‘Vroeger werd deze poort zwaar bewaakt,’ legde Le Noir uit. ‘Maar tegenwoordig niet meer. Niemand is op zoek naar de Glazen Sleutel, niemand is meer geïnteresseerd in de schat aan het einde van de regenboog. C’est dommage, mais c’est la vie.
Hoe dan ook, help even die zware deuren te openen, s.v.p.’

Geen opmerkingen:

Een reactie posten