Hoofdstuk 1

Deel 1: Het mannetje met het rode jasje
Waarin de beer de muis ontmoet en leert om door te zetten.

Op een zomerse morgen rees de zon langzaam over het groene veld. Aan de rand het veld, vlakbij een stromend beekje, stond een klein grijsstenen huisje met een rieten dak. Uit de schoorsteen kwam al een dun rookpluimpje dat verdween aan de hemel. Binnenin het kleine huisje was een nog kleiner keukentje met potten en pannen overal op het aanrecht en op de grond. Te midden van al het kookgerei zat Bambino aan tafel zijn ontbijt te eten. De warme bessenjam droop van zijn boterham over zijn kin tot aan de grond. Het was een prachtig begin van de dag.
Na het ontbijt, dat voor Bambino altijd korter duurde dan hij hoopte, besloot hij om rondom zijn huisje het pad te vegen. Hij had pas twee stappen buiten gezet, de bezem over zijn schouder geslagen, toen Bambino in de verte, ver weg over het grote groene veld, een schitterende regenboog zag staan. De regenboog stond heel erg trots, alsof hij wist dat zijn kleuren fel en betoverend schenen tot aan landen waar zelfs de regenboog nog niet eerder van had gehoord.
Bambino stond roerloos te staren naar de kleurenboog, zijn benen voelden te zwaar om te bewegen. In de warmte van de zon, die zelf ook wel een beetje onder de indruk leek te zijn van de prachtige regenboog, gleed Bambino langzaam in een heerlijke zomerse dagdroom.
Plotseling schrok Bambino wakker door een schel geluid van heel dichtbij, vanachter zijn huisje, vlakbij het beekje. Voorzichtig liep hij rond tot aan het kleine waterradje dat zijn grootvader nog had gebouwd. Daar, in het hoge oevergras, hoorde Bambino hetzelfde schelle geluid, maar nu veel luider. Hij snoof de warme lucht op in de hoop te ruiken welk dier dat geluid maakte, maar hij rook niets anders dan het gras en het water.
Toen, heel snel en onverwachts, schoot er een figuur uit het gras naar voren en stond pal voor Bambino. Door het felle zonlicht kneep de beer zijn ogen een beetje toe en zag een vreemd klein mannetje voor zich staan, gekleed in een rode broek en bijpassend jasje. Het mannetje had een bolhoed op, waaronder
lange blonde krullen tevoorschijn kwamen, en in zijn hand een paraplu die hij als een wandelstok vasthield.
‘Goedemorgen, mijn waarde heer Beer,’ sprak het mannetje met rappe tong. Bambino kon zijn ogen niet geloven. Waar kwam dit ventje vandaan? Het mannetje wachtte niet tot hij teruggegroet werd, maar ging op hoge snelheid verder met zijn verhaal:
‘Heb je ooit gehoord van een geheim, zó geheim, dat het het best bewaarde geheim der geheimen is?’
Wederom wachtte het mannetje niet op antwoord.
‘Wat is voor iedereen hetzelfde? Precies, iedereen is zo hebberig als ik weet niet wat! Nou, beste Beer-heer, waarom zou iedereen niet wat van zijn weelde kunnen delen met anderen? Zie je die regenboog daar in de verte?’
Bambino draaide zijn hoofd langzaam en keek over zijn schouder over de velden. In de verte schenen de trotse kleuren van de regenboog. Zonder iets te zeggen, bewoog Bambino langzaam zijn kop op en neer.
‘Welnu,’ ging het mannetje verder die haast leek te hebben, ‘zou het niet zo moeten zijn dat die regenboog ergens, ook al is het ver weg, een einde heeft?’
Bambino ging door met knikken.
‘Mijn geheim aan jou is om dat einde spoedig te vinden, want daar zal je iets vinden van grote waarde!’
Bij die woorden leek Bambino uit zijn roes te komen, geprikkeld door het vooruitzicht van een geheime schat. Voor het eerst sinds zijn ontmoeting met dit waarlijk aparte mannetje wist hij iets terug te zeggen:
‘Vertel eens, kleine man, wat voor een waarde heb je het over? Ligt er soms zilver of goud daar begraven?’
Het kleine mannetje kreeg een ondeugende blik in zijn ogen, glimlachte mysterieus en maakte een kleine buiging. ‘Tot ziens,’ sprak hij en sprong terug in het hoge oevergras. Bambino vroeg zich af of hij niet alles had gedagdroomd. Op dat moment nam hij een moedig besluit. Hij zou op pad gaan op zoek naar die geheime schat. En of het nu zilver of goud was dat hij daar zou vinden, overal zou hij bekend staan als de dappere Koning Beer.

Hoofdstuk 2

Met een luide klap trok Bambino de deur van zijn huisje achter zich dicht. Hij had enkel een klein rood koffertje bij zich met daarin wat eten en drinken voor onderweg. Veel meer heb ik vast niet nodig, dacht Bambino, onwetend dat hij ongelijk zou hebben. In flinke pas liep hij het pad af richting het westen. Na een poosje hoorde hij het kabbelen van het beekje niet meer en iets later kon hij zelfs het rieten dak van zijn huisje niet meer zien als hij over zijn schouder terugkeek.
Zo liep Bambino in de stralende zomerzon richting de altijd kleurige regenboog. Insecten vlogen langs hem heen, die zich misschien wel afvroegen waar die kleine beer, met dat grappige rode koffertje, zo gehaast naar toe ging.
Toen Bambino aan zijn rechterkant een groot graanveld passeerde, kon hij de regenboog plotseling niet meer zien. De volgroeide graanstengels torenden zo hoog boven hem uit dat hij nu zelfs in de schaduw liep. Bambino moest op zijn tenen gaan staan om nog net een glimp van de buitenste rode boog op te vangen. Het zou vast beter zijn om rechtstreeks naar de regenboog toe te lopen, in plaats van het pad te blijven volgen, redeneerde de avontuurlijke beer. Zonder te twijfelen sprong Bambino over het hekje en begon met zijn poten het stugge lange graan aan de kant te duwen. Zo maakte hij zijn eigen pad, dwars door het graanveld. Het was zwaar en vervelend werk omdat het graan minstens een meter langer was dan Bambino zelf. De volgroeide stelen waren loodzwaar. Bambino’s poten begonnen rood te worden van het zware werk en elke stap deed pijn aan zijn voeten omdat zij over de scherpe bladeren moesten lopen. Bambino was van plan zich weer om te draaien om alsnog het gewone pad te blijven volgen. Het zou misschien wel een omweg zijn, maar wel veel gemakkelijker om te lopen. Ineens hoorde de uitgeputte beer een vreemde stem. De pieperige stem klonk een beetje boos, maar ook nieuwsgierig en kwam van ver boven het graan vandaan.
‘Nou, nou, nou…wat hebben we hier Jan? Een kleine beer die aan het ploegen en ploeteren is door mijn land? Wat zou daar precies de bedoeling van zijn? Weet hij niet dat zo al het graan kapot gaat?’
Bambino keek omhoog, maar zag alleen maar graan voor zijn ogen hangen. Zijn vermoeide poten duwden het langzaam opzij en toen pas zag Bambino een donkere schim boven zich uit torenen. Hij voelde een rilling door zijn rug gaan toen zijn ogen die van de donkere schim troffen. De duistere gedaante zag er imposant en gevaarlijk uit, zo staande in de zon met zijn armen wijd gespreid. Twee gemene felle ogen glommen in het midden van het donkere gezicht. Het leek alsof er op het hoofd een veel te grote muts stond. Bambino wilde dat hij zich kleiner kon maken zodat hij zich kon verstoppen. Hij wilde zich omdraaien en er snel vandoor gaan. Terug naar het veilige pad. Terug naar huis. Terug naar het rustige beekje en de lekkere ontbijtjes. Waarom moest hij toch zo nodig de dappere beer uithangen? Waarom moest hij per se goud en zilver vinden? Hij had zo’n goed en rustig leventje, maar nu was hij goed in de problemen geraakt. Kon hij nog maar ontsnappen! Maar het was te laat, hij was betrapt in het graanveld. Het was vast de boer die boos was omdat al het graan kapot was gedrukt door het pad dat Bambino gemaakt had. Voorzichtig liet Bambino het graan los en hij wilde zich omdraaien om zich zo snel mogelijk uit de voeten te maken.
‘Wacht, alsjeblieft, wacht kleintje!’ sprak de pieperige stem. ‘Ik wil je geen kwaad doen, absoluut niet, integendeel zelfs!’
Bambino stopte en draaide zich om, een beetje verbaasd door het gesmeek. Voor een tweede keer haalde hij het hoge graan weg voor zijn ogen en keek nogmaals naar de donkere schim. Zijn ogen raakten langzaam gewend aan de felle zon, en Bambino zag wat hij de eerste keer door zijn angst niet had opgemerkt. Domme bange beer, dacht Bambino bij zichzelf. Waarom was je toch zo bang? De schim was helemaal geen boze boer. Niet eens een persoon van vlees, botten en bloed. Hij had dan wel gespreide armen en boze ogen, maar deze waren slechts voor de show. De donkere schim zou zelfs de grootste moeite hebben om Bambino achterna te rennen. De dappere Bambino trok het graan nu weg tot aan de grond en stond oog in oog met Vogelverschrikker Jan.

Hoofdstuk 3

‘Vertel eens, kleine beer,’ begon Vogelverschrikker Jan nu oprecht geïnteresseerd en ook wel een beetje opgelucht omdat Bambino er niet als een haas ervandoor was gegaan, ‘wie ben je precies en waar kom je vandaan?’
Bambino keek omhoog naar Vogelverschrikker Jan vanuit het graanveld en voelde de hitte van de zon op zijn gezicht. Om hem heen zoemden bijen en hommels die druk op zoek waren naar geurige bloemen. Terwijl Bambino zo tuurde door dichtgeknepen spleetjes, omdat zijn ogen niet goed tegen het felle zonlicht konden, kreeg hij medelijden met de vogelverschrikker. In zijn hart voelde hij verdriet. Bambino bedacht zich hoe het zou zijn om op zo’n prachtige zomerse dag, of eigenlijk op elke dag wanneer dan ook, stokstijf stil te moeten staan op één enkele plek. Hij bedacht zich hoe de vogelverschrikker, met zijn versleten jas en gescheurde handschoenen, nu vast al jarenlang hier in het graanveld stond. Terwijl hij uitkeek over uitgestrekte gouden velden en om zich heen het geluid van vogels, eekhoorns en andere kleine bosdieren kon horen, kon hij nog niet eens één vinger bewegen.
‘Ik ben Bambino,’ zei de beer, ‘en ik leef in een klein huisje dat aan het eind van dat pad staat. Het is gemaakt van grijze stenen met een rieten dak. Misschien kun jij, omdat je zoveel langer bent dan ik, nog net het waterrad zien dat ernaast staat.’
Vogelverschrikker Jan staarde het pad af en zei dat hij inderdaad nog net het waterrad in de verte kon zien draaien. Hij vroeg wat Bambino helemaal hier in het graanveld kwam doen en de beer vertelde hem over de ontmoeting met het mannetje in het rode jasje. ‘En nu ben ik dus onderweg naar het einde van de regenboog,’ eindigde Bambino zijn verhaal.
Vogelverschrikker Jan liet een diepe zucht. ‘Helemaal daarheen? Weet je wel hoe ver dat is voor een kleine beer?’
Bambino vroeg zich af of hij Vogelverschrikker Jan zou vertellen over de grote schat die verborgen lag aan het einde van de regenboog, maar hij was bang dat de vogelverschrikker het door zou vertellen aan anderen, die dan de schat zouden kunnen stelen. Bambino besloot van onderwerp te veranderen. ‘Als je wilt, mag je wel mee komen,’ zei hij.
Plotseling begon Vogelverschrikker Jan te lachen en vergat Bambino het verdrietige gevoel dat hij had gekregen.
‘Gekke beer,’ sprak de vogelverschrikker met zijn pieperige stem, ‘het is een heel lief aanbod van je, maar je moet begrijpen dat ik hier onmogelijk weg kan. Wat zou er gebeuren met al het graan als ik er vandoor ga? Alle kraaien uit alle landen zouden hier naartoe vliegen om te feesten en te vreten. Nee, het spijt me echt, Bambino, maar ik kan simpelweg niet met je meekomen, ik heb namelijk een heel belangrijke taak te doen.’
‘Maar,’ zo vervolgde Vogelverschrikker Jan, ‘misschien kun je wel iets voor me doen. Ik heb namelijk nu al een poosje een ontzettende jeuk onderaan mijn rug. Met mijn stijve armen kan ik er natuurlijk niet bij.’
Bambino strekte zich uit en begon te krabben tot groot genoegen van Vogelverschrikker Jan. ‘Oh, heerlijk, dat lucht enorm op,’ sprak hij dankbaar uit nadat Bambino was uitgekrabd. ‘En als dank heb ik nog een wijze raad voor je lange reis: iedereen heeft een doel in het leven, maar het is aan jou de taak om uit te vinden wat jij het allerbelangrijkste vindt. Vraag jezelf regelmatig af waar je reis je naartoe brengt. Als je goed weet wat je eindbestemming is, dan zul je er zeker komen, ook al ben je misschien maar een kleine beer.’
Bambino luisterde goed naar het advies van Vogelverschrikker Jan, maar begreep niet precies wat hij bedoelde. Immers, hij wist toch precies wat zijn eindbestemming was. Het einde van de regenboog! Hij was bang dat de vogelverschrikker hem een domme beer zou vinden als hij om extra uitleg zou vragen en dus bedankte Bambino netjes voor de wijze woorden en nam afscheid van zijn nieuwe vriend. Met vernieuwde kracht duwde Bambino het graan in het veld voor zich uit. Nog even keek hij achterom naar Vogelverschrikker Jan en tot Bambino’s verbazing zag hij, heel langzaam, een traan rollen over het gezicht van de vriendelijke vogelverschrikker. Het gaf Bambino een vreemd en koud gevoel van binnen, ook al liep hij door de brandende zon.

Hoofdstuk 4

Uiteindelijk, toen Bambino het gevoel had dat hij al uren achter elkaar door het stugge graanveld aan het ploeteren was en de wijze woorden van Vogelverschrikker Jan door zijn hoofd heen spookten, kwam de beer bij de andere kant van het graanveld uit en viel uitgeput neer op de grond. Hij lag op een lang uitgestrekt grasveld, dat een gelige kleur had gekregen doordat het al dagen niet had geregend in deze streek. Bambino lag op zijn rug en masseerde zijn pijnlijke poten terwijl hij tuurde naar de lucht. Geen wolkje te zien, alleen maar een strakblauwe hemel met een fel stralende zon. Wacht eens even, alleen maar een fel stralende zon? Waar was de regenboog gebleven? Wanhopig keek Bambino in de rondte, maar nergens had de lucht een andere kleur dan helder hemelblauw.
Vlug stond Bambino op en hij begon over het droge grasveld te rennen met zijn kleine rode koffertje in zijn poot meebungelend achter zich aan. Bambino keek constant naar boven in de hoop ergens een glimp op te vangen van de regenboog. Hij kon toch niet zomaar weg zijn?
Terwijl Bambino zo rende, het graanveld ver achter zich latend, werd hij bang dat zijn avontuur nu al tot een einde was gekomen. Moest hij nu al weer terug naar huis? Nee, de regenboog moest ergens wel te zien zijn. Bambino rende harder en harder, maar omdat Bambino niet oplette waar hij zijn voeten plaatste, doordat hij zijn ogen niet van de lucht durfde af te houden, stootte hij ineens met zijn grote teen tegen een kei aan en verloor zijn evenwicht. De kleine beer viel voorover en draaide in het rond. Zijn arm gooide automatisch de rode koffer hoog in de lucht en met een plof kwam zowel Bambino als zijn koffer hard neer op het droge gele gras.
Geschrokken door de val en angst omdat de regenboog weg was, voelde Bambino zich zeer verdrietig. Hij raapte zijn koffer op en klopte het stof eraf. Nu deed bijna heel zijn lichaam pijn. Misschien kon hij inderdaad maar beter rechtsomkeert maken en teruggaan naar huis. Een kleine beer is niet bestemd om grote avonturen te beleven.
Maar voordat Bambino was opgestaan, hoorde hij een heel klein stemmetje vlakbij hem.
‘Pardon meneer, maar dit is mijn huis. Of liever gezegd, dit was mijn huis!’ Bambino draaide zijn hoofd en zag een witte muis in een donkerrode jurk boos naast hem staan.
‘Je bent er bovenop gevallen, met je dikke buik,’ ging ze streng verder, ‘en nu is er helemaal niets meer van over!’
Bambino rolde een beetje opzij en onder hem kwamen kleine huisrestjes vandaan. ‘Het spijt me echt,’ begon Bambino zijn uitleg, ‘maar ik was de regenboog aan het zoeken en keek niet naar de grond. Plots struikelde ik pardoes over die nare steen en tolde in het rond. Ik kon er niets aan doen.’
De witte muis sloeg geen acht op het excuus van de beer, het leek haar nog bozer te maken: ‘Dat kan wel zo zijn, maar door jouw geklungel is mijn huis nu verwoest. Wat moet ik nu eten vanavond? Waar moet ik nu slapen vannacht? Stomme beer, met je grote poten en je dikke buik. Weet je dan niet dat regenbogen komen en gaan?’
Dit was te veel voor de arme beer, die nu de grootste moeite had om zijn tranen te bedwingen. Zijn droom was kapot, zijn avontuur voorbij en nu had hij ook nog zijn trots verloren.
‘Het enige wat ik wilde,’ stamelde Bambino zachtjes, ‘was een grote gouden schat vinden, maar ik heb alleen maar pech. Ik kan beter naar huis gaan voor het donker wordt.’
‘Wat zeg je daar?’ vroeg de witte muis met een stemmetje dat al wat vriendelijker klonk. ‘Een grote gouden schat? En jij weet waar deze verborgen ligt? Met al dat goud zou je een mooi nieuw huis voor me kunnen kopen, eentje nog veel groter dan die jij hebt stukgemaakt. Kom op beer, waar wacht je nog op, laten we op zoek gaan naar die schat!’
Bambino keek de witte muis aan en kreeg een klein beetje nieuwe hoop. De witte muis glimlachte terug.
‘Ik heet Nola,’ zei ze, ‘en jij?’
‘Bambino,’ zei de beer, en ze gaven elkaar de hand.
‘Nou vooruit, Bambino, nu niet meer zo mokken en draag me even een poosje… Mijn pootjes zijn heus te klein om jou bij te kunnen benen!’

Hoofdstuk 5

En zo kwam het dat Bambino en Nola, zittend op de brede bruine berenschouder, samen verder op pad gingen. Ze lieten de huisrestjes achter en liepen over het droge gele graslandschap met de langzaam ondergaande zon in hun rug. Er ontstond een rozige gloed in de lucht en het was net alsof de zon wilde laten zien dat zij ook prachtige kleuren tevoorschijn kon toveren, ook al was de regenboog nu verdwenen. Na verloop van tijd verscheen de eerste ster aan de hemel en al snel volgden er meer. De maan hing er laag tussenin.
Bambino ging voorzichtig zitten en hielp Nola van zijn schouder af. Hij kreeg het een beetje koud, zo in de open lucht en in zijn koffertje had hij natuurlijk geen extra trui gestopt. Bovendien knorde zijn maag nu behoorlijk van de honger. Zelfs zo luid dat Nola begon te klagen over het lawaai ervan.
‘Denk je werkelijk dat we morgen de regenboog weer zullen vinden?’ vroeg Bambino.
‘Natuurlijk,’ antwoordde Nola, ‘het kan nu niet zo ver meer zijn.’ Maar eigenlijk zei ze dat omdat ze niet precies wist hoe ver het nog was en ze bang was dat Bambino terug zou keren.
‘Zouden we dan voor vannacht hier kunnen uitrusten?’ vroeg Bambino. ‘Ik ben namelijk al de hele dag op pad en na het ontbijt heb ik helemaal niets meer gegeten!’
‘Vooruit dan maar,’ zei Nola een beetje nors, omdat ze liever had dat Bambino door bleef lopen zodat ze snel de gouden schat zouden vinden. Maar ze moest toegeven dat ze zelf ook wel een beetje honger had gekregen ondertussen. Bambino pakte zijn rode koffertje erbij en trots liet hij zijn voorraad melk en honing zien aan Nola.
‘Genoeg voor ons allebei,’ zei Bambino terwijl hij de fles melk aan zijn mond zette. Hij liet het zich goed smaken, wel vijf lange slokken achter elkaar, en Bambino plaatste de half lege fles in het gras. Voorzichtig vulde hij het dopje met een beetje melk en gaf het als een bekertje aan Nola. Ze was er echter niet blij mee.
‘Heb je helemaal niets anders dan melk en honing?’ zei Nola geïrriteerd. ‘Heb je geen Goudse kaas, Edammer of brie?’
Ze keek Bambino streng aan. ‘Wat moet een muis zonder kaas? Wil je soms dat ik omkom van de honger?’ vroeg ze kwaad.
Bambino schrok van Nola’s reactie. De hele tijd had hij haar gedragen en toen had ze ook al zoveel geklaagd. En nu hij zelfs zijn eten met haar wilde delen, was het weer niet goed.
‘Nou, als jij niet wil, dan eet ik het lekker zelf op,’ zei Bambino ondeugend en hij doopte zijn poot diep in de honingpot en likte hem helemaal schoon af.
Nola stond boos met haar armen over elkaar heen en keek afkeurend naar de gulzige dikke beer. Hoe kon hij zo gemeen zijn tegen haar?
Bambino zag uit zijn ooghoeken hoe Nola koppig haar mond dichthield en met haar rug naar hem toe was gaan staan. Hij kreeg medelijden met de witte muis. Hij had tenslotte haar huis kapot gemaakt.
‘Weet je,’ begon Bambino zachtjes, ‘het schijnt ongezond te zijn om met een lege maag te gaan slapen. Bovendien is eten in je eentje helemaal niet zo leuk. Dus ook al wil je niets eten, proef dan gewoon een beetje. Om mij een plezier te doen.’
Nola bewoog zich niet en dacht even na. Daarna draaide ze zich om en pakte het flessendopje met melk en nam een slok. Nadat ze de dop had neergezet, likte ze wat honing uit de pot waarmee Bambino had geknoeid in zijn gulzigheid. Daarna keerde ze Bambino weer de rug toe en ging zitten. Bambino besloot om het zich niet al te zeer aan te trekken en zich klaar te gaan maken voor de nacht. Hij vond een plekje waar het gras lekker zacht was en hij ging op zijn rug liggen. Terwijl Bambino’s gedachten door zijn hoofd heen vlogen, van het heerlijke ontbijtje van vanochtend toen hij nog veilig in zijn huisje was, de ontmoeting met het aparte mannetje met het rode jasje, de zielige Vogelverschrikker Jan en vooral het vooruitzicht van de grote gouden schat, vielen zijn ogen langzaamaan dicht. Hij kon de slaap niet meer tegenhouden, maar vlak voordat hij weg was in dromenland, hoorde hij nog dat drie kleine muizenwoordjes in zijn oor gefluisterd werden: ‘Het spijt me.’
‘Het spijt mij ook,’ antwoordde Bambino en viel in een diepe en heerlijke slaap.

Hoofdstuk 6

De volgende ochtend werd Bambino gewekt door zonnestralen die zijn hoofd verwarmden. Hij wreef zijn lichaam, dat vochtig was van dauw, droog met zijn armen en keek een beetje slaperig om zich heen op zoek naar Nola. Tot zijn verbazing was zij al klaarwakker en had alle troep van de vorige avond al opgeruimd.
‘Ben je eindelijk wakker?’ zei ze toen ze zag dat de beer, nog half slaapdronken, probeerde omhoog te komen. ‘Kom,’ voegde ze eraan toe, ‘we moeten opschieten! Zie je daar aan de horizon die rij bomen staan? Daar moeten we naartoe. Ik weet zeker dat de regenboog daar is.’
Bambino en Nola vertrokken, na een ontbijtje dat voor Bambino veel te weinig was en waarna hij nog net zoveel honger had als ervoor, richting het Donkere Woud.
Ook al was het nog vroeg, de warmte van zon was krachtig en Bambino en Nola liepen van loomte niet zo snel als gehoopt. Het duurde dan ook nog bijna een vol uur voordat ze eindelijk bij de rand van het Donkere Woud aankwamen. De voorste rij bomen bestond uit eiken, beuken en esdoorns waarvan sommige al honderden jaren oud waren. Hun takken stonden als omhooggeheven armen naar de hemel met een dicht bladerdak als grote pruik er bovenop.
Bambino en Nola bleven staan aan de rand van het bos en tuurden naar binnen. Ze konden niet verder dan een paar passen vooruit zien, doordat de bomen al het zonlicht tegenhielden en het aardedonker was. Voorzichtig zette Bambino een aantal pasjes naar voren. Direct voelde hij de koelte van het bos over zich heen vallen en de duisternis omvatte hem volledig.
‘Nola,’ riep hij over zijn schouder naar achteren, ‘weet je zeker dat we hier doorheen moeten gaan?’
Nola was minder bang dan Bambino en antwoordde: ‘Natuurlijk, dat is de snelste route naar de regenboog. Als je niet durft, ga ik wel voorop.’ En om haar woorden daadkracht bij te voegen, hupte ze langs Bambino en liep verder het Donkere Woud in. Bambino moest er wel snel achteraan, want als Nola verder dan een paar passen vooruit was gelopen, kon hij haar nog maar amper zien. Bambino hield zich vast aan elke stam en tak die hij tegenkwam, uit angst om onderuit te gaan. Onder zijn voeten voelde de koude aardegrond glibberig aan en lag het bezaaid met dode takken, bladeren en keien. Het duurde niet lang of Bambino’s poten zaten onder plakkerig mos, maar Nola scheen geen last te hebben van dit alles. Zonder snelheid te verliezen bewoog zij zich behendig tussen de dichtbegroeide bomen en Bambino had de grootste moeite om haar bij te houden zonder uit te glijden over de onregelmatige grond.
Nadat Bambino het gevoel had dat ze een half uur lang aan het ploegen en ploeteren waren, stopte Nola ineens en wendde zich tot de beer.
‘Weet je, volgens mij zijn we hier al eens geweest. Ik meen die struik te herkennen.’
Bambino hoopte dat de witte muis een grapje maakte, maar ze leek bloedserieus te zijn. Dat zou betekenen dat ze in een rondje hadden gelopen en nu helemaal geen idee meer hadden welke kant ze op moesten.
‘Geen paniek,’ gaf Nola als antwoord op de wanhopige blik van Bambino. ‘Ik heb vroeger geleerd dat op de noordzijde van boomstammen altijd het mos groeit. Dan weten we dus ook welke richting wij op moeten.’
‘Dat kan wel zo zijn,’ zei Bambino, ‘maar die bomen hier zijn helemaal bedekt met mos. Je wilt toch niet zeggen dat we dan ook maar elke richting op moeten gaan? Volgens mij zijn we gewoon verdwaald.’ Bambino ging met een diepe zucht zitten op een boomstronk en zette zijn koffertje naast zich neer. Nola kwam bij hem zitten. Nu ze zo stil midden in het Donkere Woud zaten, hoorden ze pas de echte bosgeluiden die ze tijdens het lopen niet opgemerkt hadden. Takken wreven langzaam tegen elkaar aan en de bomen knerpten in de wind. Een uil klonk in de verte, een marmot groef in de zachte grond en een specht tikte tegen een harde eik. De bomen leken nu net reuzen voor Bambino en Nola en het was alsof ze alleen maar groeiden. Beiden werden behoorlijk bang nooit meer de uitgang te vinden. Precies op dat moment hoorden zij dat in de verte een heel zacht maar schitterend lied gezongen werd.

Hoofdstuk 7

Betoverd door de wonderlijke melodie en de zachte klanken voelden Bambino en Nola zich ineens, te midden van het Donkere Woud met allerlei prikkelende takken en glibberige stenen, heel erg gerustgesteld. Alle zorgen vielen van hen af en met hernieuwde moed sprak de beer tot de witte muis:
‘Nola, als we uit dit doolhofbos willen komen, denk ik dat we die stem moeten vinden.’ Bambino stond op van de boomstronk, greep zijn koffertje vast en liep in de richting van het gezang. Nola liep snel achter hem aan. Het duurde niet lang of het zingen werd steeds duidelijker te verstaan. Het was in een taal die Bambino en Nola niet kenden, maar toch klonk het zeer kalmerend. Alsof niets ze nu nog kon overkomen. Zo liepen ze achter elkaar aan over de mossige paadjes en door het dicht begroeide bos totdat ze plotseling uitkwamen bij een reusachtig gat in het midden van het Donkere Woud.
Bambino en Nola stonden aan de rand van een klif die honderden meters omlaag leek te gaan. Het pad dat zij volgden liep zowel links- als rechtsom langs het gapende gat en kwam aan de overkant weer bijeen. Het leek nog het meeste op een ovaalvormige krater zo groot als het graanveld van Vogelverschrikker Jan. Ze konden prachtig kleurige vogels zien en de meest bizarre bloemen groeiden langs de klif omhoog. Halverwege, vanuit een donkere grot, viel een brede waterval omlaag. Vanuit de diepgelegen vallei, door de mist vrijwel onzichtbaar, klonk het mysterieuze lied kristalhelder omhoog.
‘We moeten zien af te dalen,’ sprak Bambino die in de ban van het lied leek te zijn. Nola was er minder zeker van: ‘Maar Bambino, het is zo diep en gevaarlijk. Al die scherpe rotsen, kronkelige lianen en dichte mist. Het is vrijwel onmogelijk om naar beneden te gaan. Waarom kunnen we niet zelf proberen uit dit donkere bos te komen?’
Bambino hoorde haar niet eens meer en was al begonnen met het zoeken van een geschikte plek om af te dalen. Hij ging zitten en zwaaide zijn benen over de rand van de afgrond. Hij zette zijn koffertje naast zich neer en voorzichtig draaide hij zich om, zijn voeten zoekend naar een uitstekende steen om op te staan. Met beide poten greep Bambino een lange ruwe liaan stevig vast en liet zich heel rustig omlaag zakken. Stukje bij beetje daalde hij zo af. Nola stond nog altijd boven aan de klif en zag de beer langzaamaan in de mist verdwijnen. Als ze niet snel zou volgen, zou Bambino uit het zicht verdwijnen. Ze pakte al haar moed bij elkaar en stapte wiebelig over de rand. Voorzichtig nam ze de volgende stap omlaag, maar voordat ze een liaan kon grijpen voelde ze de grond onder haar voeten afbrokkelen zodat ze omlaag gleed en de diepte in viel. Na een aantal meters viel ze bovenop Bambino die door de schrik zijn liaan losliet en ook door de mistige lucht omlaag tuimelde. Als twee vallende kokosnoten suisden Bambino en Nola door de mist naar beneden totdat ze ineens met een grote smak midden in een enorme plas met water terecht kwamen. Het water stoof hoog de lucht in om hun val te breken. Nadat het water weer rustig was geworden, lag Bambino roerloos op zijn rug in het meer met Nola, al net zo stil, bovenop zijn buik.
De beer droomde van goud, graan en van een regenboog waar hij maar niet bij kon komen hoe hard hij ook rende. Op de achtergrond van zijn droom klonk het mooiste lied met de zuiverste stem die hij ooit had gehoord. Het gezang werd harder en harder totdat Bambino zijn ogen niet langer gesloten kon houden en knipperend om zich heen keek. Nu pas voelde hij dat hij in een groot rond meer lag, helemaal onderin de vallei. De waterval aan de overkant maakte een enorm lawaai, maar boven die herrie uit hoorde Bambino heel duidelijk het lied. Het gezang kwam van vlakbij, maar Bambino kon niemand zien. Plots sprong er iets op in het water, een wezen dat Bambino nog nooit eerder had gezien. Ze had lang goud haar en ogen die straalden als diamanten. In plaats van benen had ze een lange vissenstaart waardoor ze zich sierlijk door het water bewoog. Zo zwom ze om Bambino en Nola heen terwijl ze haar lied zong. Ook de muis schudde nu haar hoofd om wakker te worden en keek om zich heen. Ze kon haar ogen niet geloven toen ze het rare wezen om hen heen zag zwemmen. Ze hadden het lied gehoord van een zeemeermin.